Le Corbusier en Ronchamps 1950-1955

Le Corbusier en Ronchamps 1950-1955

De kapel van Notre-Dame-du-Haut staat op de heuveltop van Bourlémont in de regio Haute-Saône.

De eerste, een tikkeltje zonderlinge indruk van de kapel, aan het einde van de klim naar de top van de Colline de Boulémont. bestaat uit een toren, een dak en de bij de ingang verticaal terugwijkende wand. Zuidwaarts buigt deze wand zich naar de toeschouwer toe, loopt langzaam op en eindigt in de zuidoosthoek exact verticaal onder het dak dat hier zijn hoogste punt bereikt. Over het grootste deel van de facade steekt het dak ver uit. Het is samengesteld uit twee betonnen schalen die op een afstand van ongeveer 2 meter tezamen een soort kussen vormen.
Aan de oostkant fungeert het dak als een baldakijn boven de ruimte voor vieringen in de openlucht. De achterwand is een zelfstandig bouwvolume dat op het noorden uitmondt in een kapeltoren. In de ruimte tussen de wand aan de zuidzijde en deze wand bevindt zich één van de drie toegangen tot de kapel. Zeer eenvoudig vormgegeven preekstoel en altaar vullen de ruimte.
Door de overstek van het dak ontstaan er op het zuiden en oosten buitenruimtes die zorgen voor een vloeiende overgang van de ruimte binnen en buiten de kapel. De ronde vormen en enigszins grillige krommingen voorkomen associaties met kunstmatige gefabriceerde bouwwerken en al helemaal met “machines”.

De facades op het oosten en noorden hebben geen overstek en maken een gesloten indruk. De noordfacade met zijn functionele ruimtes heeft rechthoekige uitsparingen. De gekromde oostfacade, bestaande uit de torens waarin zich kapelletjes bevinden, is nergens doorbroken. De kapel keert zich hier van de omgeving af. De torens met hun brise-soleil domineren de indruk.